28 November 2023 | Leestijd: 9 min
Soms heb je als ondernemer een idee waarvan je overtuigd bent dat het de gang van zaken in je hele sector overhoop zal gooien. Het product, de dienst of het proces dat je voor ogen hebt is nog in de verste verte niet te bekennen op de markt; niet hier bij ons, maar ook niet in het buitenland. De reden? Je idee is erg innovatief en hoegenaamd niet vanzelfsprekend, in die mate zelfs dat er een belangrijke kennisverwerving dient te gebeuren om het product, de dienst of het proces te kunnen uitwerken. De tijdshorizon voor start van de commercialisatie kan gemakkelijk 3 à 4 jaar bedragen. Het lijkt je geen slecht idee om beroep te doen op 1 of meerdere onderzoeksgroepen om de kennisopbouw voor je bedrijf te ondersteunen. Vlaanderen ondersteunt dergelijke kennisverwerving via VLAIO’s steuninstrument van een onderzoeksproject.
Het Agentschap Innoveren & Ondernemen kent innovatiesubsidies toe aan ondernemingen via verschillende steuninstrumenten. De twee belangrijkste zijn ‘onderzoeksprojecten’ en ‘ontwikkelingsprojecten’. In beide gevallen gaat het om projecten waarin technologische uitdagingen worden overwonnen; met als doel te komen tot een product, dienst of proces dat commercieel potten gaat breken en finaal een toegevoegde waarde zal opleveren voor Vlaanderen. Deze toegevoegde waarde kan zowel economisch als maatschappelijk van aard zijn.
Bij een onderzoeksproject is de mate van kennisverwerving en de graad van uitdagingen groter dan bij een ontwikkelingsproject. De graad van maturiteit van een technologie wordt uitgedrukt via de zogenaamde Technology Readiness Levels (TRLs). Onderzoeksactiviteiten situeren zich in TRLs 1 tot 3, ontwikkelingsactiviteiten in TRLs 4 en 5. Vanaf TRL 9 is je innovatief concept klaar om de markt te bestormen.
De hogere graad van uitdagingen vertaalt zich in een hoger steunpercentage voor onderzoeksprojecten, namelijk 50% basissteun tegenover 25% voor ontwikkelingsprojecten. (Het percentage kan in beide gevallen verhoogd worden door toeslagen, afhankelijk van de KMO-status van je bedrijf en / of het feit dat je binnen het project gaat samenwerken met onafhankelijke partners.) Met andere woorden: omdat de uitkomst van het project onzekerder is, reikt Vlaanderen een grotere helpende hand.
Dat lijkt een aantrekkelijke gedachte, maar de twee types projecten zijn niet zo ‘inwisselbaar’ als ze op het eerste gezicht lijken. Tegenover het hoge steunpercentage van onderzoeksprojecten staat namelijk de verwachting van VLAIO dat de aanvrager zich zeer goed bewust is van de uitdagingen, dat deze van een hoog niveau zijn (de oplossing ervan moet minstens een aanwijsbare vooruitgang ten opzichte van de toegankelijke state-of-the-art in het domein betekenen), én dat er tegenover de geformuleerde uitdagingen een kwaliteitsvol plan van aanpak wordt geplaatst dat de kans op het behalen van de projectdoelstellingen maximaliseert. Als de capaciteit om de nodige kennis op te bouwen binnen het bedrijf ontbreekt (bv. omdat je onderneming niet over een interne onderzoekscel beschikt), wordt de aanvrager verondersteld om externe kennispartners te betrekken.
In de beoordeling van de uitdagingen en de wijze waarop deze worden aangepakt doet VLAIO – behalve op zijn eigen groep van wetenschappelijk opgeleide projectadviseurs – beroep op externe deskundigen, heel vaak uit de academische wereld en als dat relevant is zelfs van internationale afkomst. Om maar te zeggen: je gaat over meer dan 1 nacht ijs bij het opmaken en indienen van een onderzoeksproject.
Als je plannen echter de allure van een onderzoeksproject aannemen, zoals hierboven beschreven, loont het vast en zeker de moeite om de uitdaging aan te gaan en je innovatief idee te vertalen naar een aanvraag voor dit type steun!
Een onderzoeksproject krijgt minimaal € 100.000 en maximaal € 3 miljoen subsidie. De subsidie wordt berekend als een percentage van het totale projectbudget. Alle kosten die de kennisverwerving ondersteunen kunnen deel uitmaken van het budget. Categorieën zijn interne personeelskosten, overheadkosten, werkingskosten, kosten voor grote onderaannemingen, investeringskosten (afschrijvingen tijdens de projectperiode) en kosten voor onderzoekspartners. Het basissteunpercentage voor onderzoek bedraagt 50%. KMO’s krijgen (minstens) 10% extra steun. Het steunpercentage voor onderzoeksprojecten wordt wel afgetopt op 60%.
Konnekto is jouw co-piloot, we inspireren en maken samen met jou resultaatsgerichte en realistische subsidieplannen voor de toekomst.
Contacteer ons